Zoekt en gij zult vinden(?)

woensdag 9 februari

Het is 8 uur ’s ochtends en ik zit voor het eerst tijdens het zeilen buiten in de kuip te typen. Het zijn dan ook mooie conditities. De zon schijnt volop en de wind komt ruim in op 140 graden. Het waait ongeveer 20 knopen; dat is zoals gewoonlijk wat meer dan voorspeld; misschien omdat de windmeter op 17 m hoogte zit in plaats van op 10 m, waarvoor de voorspelling geldt. Eergisteren, toen ik van Martinique naar Dominica voer woei het gemiddeld 24 knopen bij halve wind, en in de buien 30. Dat is een stuk ruiger varen. Daarom laat ik voorlopig het tweede rif er maar in staan. De meeste boten varen hier trouwens sowieso met twee reven. Aan de lijzijde van de eilanden heb je dan te weinig zeil, totdat er weer een valwind met 30 knopen of meer een vallei uit komt zetten. Een mijl verder moet de motor er soms weer bij.
Ik ben om 7 uur vertrokken na rustig ontbeten te hebben en ik heb na de zware dag van gisteren toch liefst 9 uur aan een stuk geslapen. Dat geeft een beetje een idee van het Caraïbische dag-nacht ritme. De zon gaat hier elke dag op ongeveer dezelfde tijd op en onder. Je bioritme stemt zich daar vanzelf op af. Om 9 uur slaap ik meestal en om 5 uur gaan de oogjes weer open (tenzij ik zoals vandaag uitslaap tot 6 uur). In Nederland gaat de zon elke maand op een andere tijd op en onder; dan wordt het de klok die op een onnatuurlijke manier het ritme gaat regeren. Zou het misschien zo zijn dat mensen in de tropen minder vaak slaapproblemen hebben dan op hogere breedte?
Ja, gisteren was het een zware dag. Ik ben solo onderweg van Martinique naar Sint Maarten, vanwaar ik over een week naar Nederland vlieg. Wouter en Nienke zijn zondagavond in Fort de France van boord gegaan, na twee gezellige weken samen. Maandag heb ik inkopen gedaan, uitgeklaard en ben ik naar Sint Pierre in het noorden van Martinique gevaren; en eergisteren, zoals al gememoreerd, van Martinique naar Dominica. Daar ben ik gestopt bij Roseau, waar ik, zoals sommige lezers zich misschien herinneren, mijn dure bril in de Titou Gorge ben verloren. Ik wilde een poging doen om hem met een duikuitrusting weer terug te vinden. Maar voor het zover was moest ik bij Roseau voor het eerst solo aanleggen aan een mooring. Dat lukte wel, maar niet zonder bloed op de boot. Ik doe dan ook dingen die ik een opstapper niet zou toestaan. Dat mag je stom noemen. Volgende keer zal het soepeler gaan.
De duikexpeditie was een heel geregel, allereerst om in te klaren, vervolgens om een duikuitrusting te bemachtigen en toen om vervoer te krijgen. Er kwamen namelijk twee cruiseschepen tegelijk, dus alle taxi’s waren bezet. Een huurauto bood uitkomst. In alle vroegte ben ik naar de kloof gereden, vóór de meute van de cruiseschepen uit, want het links rijden op de smalle bergweggetjes, met hier en daar een “single track”, is geen automatisme voor me. In de kloof kreeg ik nogal wat bekijks met mijn duikuitrusting en werd ik goedmoedig van vals spelen beticht door de moddervette Amerikanen. Onder water was het even wennen: weinig licht, een diepte die varieert van 2 tot 10 meter en het miegelt van de zoetwaterkreeftjes en -krabben. Al gauw zag ik dat de expeditie weinig kans van slagen had, want op veel plaatsen is de bodem bedekt met grote keien met ruime openingen daartussen. Als een bril daartussen terecht komt is terugvinden uitgesloten. Toch heb ik de hele kloof afge
zocht
tot ik tot op het bot verkleumd was. Meer dan een goedkope mannenring heb ik niet gevonden. Op de terugweg was ik blij dat de auto niet alleen airco had, maar ook verwarming. Die heeft de hele terugweg voluit aan gestaan.
Ondertussen waait het een stabiele 25 knopen, nu ik helemaal uit de lij van Dominica weg ben. Zie je wel dat ik dat tweede rif er gerust in kon laten zitten? Toch is het door de ruime koers nog steeds comfortabel en aangenaam. Ik blijf in de kuip typen.
Nu ben ik onderweg naar Guadeloupe, waar ik in het noorden bij Deshaies wil ankeren – zo’n 50 mijl. Morgen wordt de afstand groter, zo’n 70 mijl naar Sint Kitts. Het laatste rak naar Sint Maarten is ook een kleine 70 mijl. Lange dagen zeilen dus, wat betekent dat ik voor zonsopgang wil vertrekken en kans heb om in het donker aan te komen. Dat is geen probleem als de ankerplaats niet te krap is. Het rak naar Sint Maarten wordt volgens de verwachting halve wind met 20 knopen. Dat zal wel weer ruig en nat worden.
Het bijbootje sleep ik niet meer achter me aan, sinds het in een valwind is omgeslagen waarbij de bevestigingsring afbrak door de plotseling grote waterweerstand. Nu bindt ik het op zijn kop met spanbanden op de voorpunt. Dat bevalt tot nu toe beter. De illusie dat het de luiken dan ook beschermt tegen buiswater heb ik laten varen toen ik in een golf weer eens liters water binnen kreeg. De luiken blijven nu potdicht.
—————–
Wie deze berichten leest via de mail of via facebook, kijk ook eens op www.sailingarcadia.nl waar alle blogs vanaf het vertrek in juli 2016 te vinden zijn.

Niet alleen vakantie, wel echt genieten

[ auteur: Nienke Hedeman ]

We zijn in Deshaies, Guadeloupe. Nadat de heren gisteren voor een tweede duik bij Pigeon Island zijn gegaan, hebben we einde middag het anker gehesen voor de kleine 10 mijl naar het authentieke dorpje Deshaies in het noorden van het eiland. Marti en Wouter vonden het duiken trouwens echt fantastisch. Het gebied is een historische duiklocatie waar de bekende onderzoeker Jacques Cousteau studie heeft gedaan naar de onderwaterwereld. Er is van alles te zien. Tussen de koralen, sponzen en vissen zien ze zelfs een naar zeegras grazende schildpad. Ik vertel dit verhaal uit tweede hand, want ik zat (zoals in het vorige reisverslag al vermeld), met een rum punch in de hand te typen bij de lokale beach bar. Na het duiken en enkele biertjes bij diezelfde bar gaan we in het donker ‘hup’ de bijboot in terug naar de Arcadia. Dat ‘hup’ valt echter tegen: we moeten met z’n drieën peddelen met de hand, omdat we halverwege de terugtocht een boei overvaren waardoor de motor afslaat
en de
breekpen van de schroef afbreekt. Ik heb nog nooit zó mijn linkerarmspier getraind!

Deshaies is wederom een dorpje in een prachtige baai. We eten ’s avonds in ‘Au coin des pêcheurs’, een kleurrijk Caraïbisch restaurantje met prachtig uitzicht op de baai. De plaatselijke specialiteit ‘Blaff’: gestoofde witvis gemarineerd in limoen, knoflook en pepertjes, laten we niet aan onze neuzen voorbij gaan. De volgende dag trekt Marti voor een wandeling de weelderig groene heuvels in. Wouter en ik liften goedkoop mee met een taxi vol cruisegangers naar ‘Maison du cacao’, een plantage waar (surprise!) cacao wordt geteeld en over het productieproces van chocola verteld wordt. Na een enthousiaste uitleg en veel geproefd te hebben laten we ons verleiden om een flesje chocoladelikeur met rum te kopen en stappen we weer in dezelfde taxi terug.

Na wat proviand ingeslagen te hebben beginnen we s’ middags met een tocht van 150 mijl van Deshaies, Guadeloupe naar Soufrière op het Engelstalige eiland Saint Lucia. Het is de bedoeling dat we er ongeveer 24 uur over doen. Ik heb nog nooit een nacht doorgezeild en ben benieuwd hoe ik het vind. Om heel eerlijk te zijn heb ik de vrij kalme zeildagen langs de Caribische eilanden tot nu toe voor ogen, en dan in het donker. Niets is minder waar. We varen vanaf de start aan de wind, waarbij de wind tijdens regenbuien regelmatig de 30 knopen aantikt. Wat ik overdag zo leuk vind aan hoge golven, vind ik in het donker heel eng. Je ziet niet wat er gebeurt, je voelt alleen dat de boot flink heen en weer gaat. Tegelijkertijd gaan we soms erg schuin (30 graden) en loeit de wind gierend om je oren. Ik vind het denk ik helemaal niet leuk, of toch stiekem wel een klein beetje? De heren vinden het in ieder geval prachtig. ‘Dit vind ik leuk, zeilen!’ roept Marti boven de wind uit. Om
de drie
uur hebben we wacht: Wouter en ik samen, Marti alleen. In de drie uur dat ik geen wacht heb en zou moeten slapen, doe ik geen oog dicht. De Arcadia wordt door de golven mee omhoog genomen en elke keer als ze weer op het water neer klapt, lijkt het alsof er een kanon wordt afgeschoten. Ik ben ervan overtuigd dat er een gat in de romp zit en kom overeind om te kijken of er water de kajuit binnen sijpelt (wat natuurlijk niet zo is). Oh nee! Ik zie Marti niet meer in de kuip zitten. Straks is hij overboord geslagen terwijl wij verder cruisen! Ik sta wiebelend op en zie Marti gewoon rustig achter de kaartentafel zitten. Zo ben ik, wegens gebrek aan kennis over wat een zeilboot allemaal wel niet kan, de hele nacht druk met niks terwijl de boot zich prima redt. ‘De boot kan meer hebben dan de bemanning’ zeggen ze toch altijd? Ik blijk daar het sprekende voorbeeld van. Met mij ‘total loss’ en de boot in topvorm komen we na ruim 27 uur varen aan bij het dorpje Soufrière in Sa
int
Lucia. Oh wat verlang ik naar een stilliggende boot. Ik ben de rest van de dag nog helemaal moe en onder de indruk en trek me stilletjes terug om een boek te lezen. Wat ik wel erg gaaf vond aan de overtocht was de neergaande en opkomende zon te zien, tal van vallende sterren (als ze het goed doen ben ik vanaf morgen miljonair) en sprookjesachtig fluorescerend plankton. Ook het koekeloeren op de plotter vond ik erg vermakelijk, met als hoogtepunt het (ruim op tijd) ontdekken van containerschip Lesley PG die met ons op ramkoers ligt. Wouter roept het schip echter zelfverzekerd op en stuurt de vriendelijke Australische schipper weg langs stuurboordzijde. Eind goed al goed. Ik besluit dat ik nooit meer een nachttocht ga maken.

De volgende ochtend ontwaken we na een wat onrustige nacht (veel deining en een bonkende mooring tegen de zijkant van de boot). Het dorpje ziet er vanaf de boot gezien wat armoedig uit en de gang van zaken in de baai vind ik vreemd. Te pas en te onpas komen er mannen in snelle bootjes de Arcadia omsingelen, die: 1) je afval willen meenemen voor geld, of; 2) je aan een mooring (een soort verankerde boei) willen helpen voor geld; 3) excursies, water, groente/fruit willen verkopen; 4) met een rare smoes ‘ik heb op je bijboot gepast toen je niet keek!’ geld willen verdienen, of; 5) geld willen. Voordat we het dorpje en omgeving gaan verkennen besluiten we te verplaatsen en iets dieper in de baai te gaan liggen. Maar als Marti de motor start en de bedieningshendel wil verplaatsen gebeurt er niets. De hendel zit vast en de boot wil niet meer vooruit en ook niet achteruit. Oh neeeee! We schroeven de hele handel uit elkaar, bestuderen het mechanisme, en terwijl de boel loshangt k
rijgen
we de hendel, en dus de boot, in beweging. Als Marti alles vervolgens weer in elkaar schroeft zijn we terug bij af. Uit elkaar dan maar weer en met de hendel gedemonteerd proberen we de boot de baai in te sturen naar een andere mooring. Daar krijgen we bijna ruzie met een brutale local die zijn hulp bij de betreffende mooring aan ons probeert te verkopen en er niet bij weg wil gaan. Wij zijn echter slecht manoeuvreerbaar en varen recht op de mooring en dus ook zijn houten Rastafari boot af. ‘Go away! Go away!’ roept Marti, en nét op tijd weet de bootbestuurder gas te geven en weg te komen. Razend is hij. Als we uitleggen dat we hem echt niet expres wilden overvaren en onze bedieningshendel stuk is biedt hij aan om er een monteur bij te halen. Marti, die normaliter alles prima zelf kan repareren, geeft zich gewonnen en stemt ermee in. We betwijfelen of er een monteur in dit kleine dorpje is die het probleem kan verhelpen, maar afijn. Een klein uurtje later komt de brutale
mooringverkoper terug met de monteur en een Rastafari, die beweert de monteur gezelschap te houden. En we moeten het ze nageven, de monteur blijkt een ware kenner. Hij haalt de bedieningsunit uit elkaar tot er verder niets meer te demonteren valt, bestudeert en doorgrondt het mechaniek, verplaatst nauwkeurig een hefboom, smeert hier en daar een beetje, zet alles weer in elkaar, en…. geen resultaat, alles zit opnieuw vast. Maar na de tweede keer demonteren en afstellen loopt alles weer als een zonnetje. Dat is het voordeel van een eiland waar mensen creatief zijn geworden in het oplappen en herstellen van dingen, er is simpelweg geen geld voor nieuw spul. Na een nogal theatrale onderhandeling over de kosten van dit alles, stappen de monteur, de mooringverkoper en de Rastafari tevreden in hun bootje en halen wij opgelucht adem. Een zeilboot kan immers niet zonder goed werkende motor! Als we met de bijboot bij de pier aankomen is het niet anders qua toeristje lastigvallen: ‘
Give me
your garbage!’ ‘Give me your hand!’ ‘What is your plan today my friend, wanna see a waterfall?!’. We kunnen hier alle drie erg slecht tegen en negeren iedereen die tegen ons praat, jammer. Hier en daar wordt Marti herkend (hij is hier al twee keer eerder geweest met Heleen en met Wim en Mike. Ik denk stiekem dat het iets te maken heeft met het groen fluorescerende T-shirt dat Marti graag draagt) waardoor we enigszins met rust worden gelaten. We besluiten de zwavelbronnen van het eiland te gaan bekijken en stappen samen met nog 15 anderen in een openbaar tien-persoons busje naar de bronnen. De dampende en borrelende caldera waar de bronnen zich bevinden is indrukwekkend. We kijken vanaf een plateau op dit schouwspel neer. Vroeger schenen de gidsen met toeristen over de caldera zelf te lopen, maar nadat een gids plots in een gat is gezakt en tot zijn middel is verbrand (100 graden Celsius) mag dit allemaal niet meer. Het betreffende gat (‘Gabriels hole’) is wel na
ar de
beste man vernoemd, dat dan weer wel.

‘s Middags vertrekken we weer (de motor doet het gelukkig nog!) en na een kort stukje zeilen komen we aan in Marigot Bay, eveneens op Saint Lucia. Marigot Bay is duidelijk een baai voor een andere doelgroep dan in Soufrière. De baai is bezaaid met de duurste boten en zeiljachten die ik ooit heb gezien. We vergapen ons vanuit de bijboot aan al die miljoenen en verdringen/verdrinken vervolgens ons minderwaardigheidscomplexje in de Happy Hour bar. De volgende dag tanken we water en benzine bij en spelen we stiekem ramptoeristje bij een Frans zeiljacht waarvan het anker muurvast aan een verloren ketting op bodem zit en niet meer omhoog wil. We gaan op pad naar onze op één-na-laatste bestemming op Martinique voordat we zaterdagavond weer terugvliegen vanaf Fort-de-France. Het dorpje Les Anses-d’Arlet, één van de mooiste vissersdorpjes van het eiland, wacht ons op in het felle zonlicht. Het is inderdaad een erg charmant dorpje met een kerk die bijna op het strand staat. Je
kunt
zo vanuit de mis de zee inlopen. We vieren de afgelopen twee gezellige weken met een afscheidsdinertje bij een typisch Caraïbisch restaurantje op het strand. Naast ons pingelt een man wat op zijn gitaar, voor ons gooit iemand een hengel uit. We steken onze blote voeten in het zand, de zon zakt langzaam weg achter de horizon. Wat ga ik dit missen!

Op de weg terug naar de Arcadia flikt de bijboot nog een laatste geintje. Hij is onder de pier gewaaid en door de opgekomen vloed klem komen te zitten, zodat we hem er van bovenaf niet meer onderuit getrokken krijgen. Marti gaat zuchtend uit de kleren, de bijboot heeft flink wat aandacht geëist de afgelopen twee weken. Het leuke vind ik wel dat we goed hebben kunnen meekrijgen hoe zo’n zeilreis in z’n werk gaat. Het is echt niet alleen vakantie, er gaan dingen stuk, er moeten dingen geregeld worden, er zijn af en toe kleine tegenslagen. Gelukkig is het tot nu toe bij kleine ongemakken gebleven en geniet Marti met volle teugen van zijn reis. Bedankt Marti dat wij daar twee weken van hebben mogen meegenieten! Yah Man! Tot in september!

Vrolijk, zonnig en adembenemend mooi

​[ auteur: Nienke Hedeman ]

Het is zaterdag 21 januari en na een beetje een omslachtige vlucht (lees: een overstap van Charles de Gaulle airport naar Paris Orly airport, gelukt met dank aan de heldere instructies van Heleen) landen we op Fort-de-France, hoofdstad van het Franse eiland Martinique. Het is lekker warm en ik begin steeds meer te geloven dat we straks écht aan boord stappen van de Arcadia om samen met Marti een deel van zijn wereldreis af te leggen. Ik geloof het pas echt als Marti ons begroet op het terras van de plaatselijke pizzeria (waar we een pizza moesten kopen om wisselgeld te regelen voor de taxichauffeur…!). We gooien onze rugzakken in de bijboot en zoeken snel Rob van der Weert op, die ook nog een nachtje op de Arcadia blijft en de volgende dag weer naar het koude Nederland afreist. We proosten op een mooie twee weken!

We wennen al snel aan het ritme dat Marti zich in het afgelopen half jaar eigen heeft gemaakt. Vroeg wakker worden, ontbijten, veel doen voordat het te warm wordt en lekker vroeg weer naar bed. Na het ontbijt gaan we provianderen (Rob past op de boot en belooft bij onze terugkomst aangekleed en wel in de kuip te zitten). Je merkt aan alles dat Frankrijk goed voor haar overzeese ‘départements’ zorgt. In de supermarkten is (bijna) alles te vinden wat je ook in de gemiddelde Franse supermarkt vindt en al snel ligt ons karretje vol met pasta, pastasaus, verse groenten en fruit, water, basmatirijst, kokosmelk, kaas, yoghurt, etc. Fort-de-France is verder niet heel interessant dus na een klein sightseeing rondje gaan we terug naar de boot. Een ietwat weemoedige Rob wacht ons op. Ik begrijp het helemaal, wie wil er nu water en zon verruilen voor sneeuw en ijs? 

Na Rob te hebben uitgezwaaid hijsen we het anker en zeilen naar Saint-Pierre, dat aan de noord-west kust van Martinique ligt. De wind is niet zo heel gunstig en met een flink stuk motoren bereiken we einde middag de ankerplaats. Ik ben wat weeïg/misselijk en ben met gesloten ogen in de kooi gaan liggen (tip van een ervaringsdeskundige). Gelukkig is misselijkheid ook goed te verhelpen met een ankerbiertje in een rustige baai na aankomst. Saint-Pierre blijkt een heel lieflijk dorpje te zijn, dat in 1902 bijna al haar 30.000 inwoners heeft verloren door een vulkaanuitbarsting van Mont Pelée. Her en der in het dorp vind je ruïnes die getuigen van deze gebeurtenis: een kerk, een theater en de gevangeniscel, waar een van de drie overlevenden tijdens de uitbarsting in opgesloten zat. Na het inklaren drinken we een Caribische rum punch (slik!) en genieten van een van de prachtigste zonsondergang die ik ooit heb gezien (foto’s volgen!) We zien de Arcadia beneden liggen in de baai. Wauw, wat een gevoel van vrijheid geeft dit en wat ontzettend gaaf dat Marti zijn droom op deze manier waarmaakt. Niet alleen dromen maar ook doen, dát ga ik onthouden voor als ik weer op kantoor zit.

De volgende dag vertrekken we na het ontbijt richting het Engelstalige eiland Dominica. Anders dan Frankrijk heeft Groot-Brittannië haar vroegere koloniën ‘los gelaten’ en is Dominica een soeverein land binnen de Commonwealth of Nations geworden met zo’n 72.000 inwoners. We halen keurig de juiste vlag uit Marti’s kleurige Caribische vlaggenparade en ik leer de fijne kneepjes van het gastenvlaggenhijsen (ja dat is één woord). Met een flinke oostenwind komen we rond half 4 aan in hoofdstad Roseau. We peddelen met de bijboot (de buitenboordmotor is stuk, maar die hopen we hier te kunnen laten repareren) naar een gammele steiger en gaan aan wal om in te klaren. Een vriendelijke immigration officer helpt ons bij de procedure en nadat Marti nog even een soort van overhoord wordt in een kamertje met spiegelend glas zijn we officieel welkom op Dominica. 

Dominica is weer een heel ander Caribisch eiland dan Martinique en dat valt meteen op. De huizen zijn kleurrijker en de mensen trouwens ook (‘ya man!’). Daarentegen ‘mist’ dan weer de Franse ordentelijkheid en voorzieningen. Dat Dominica een prachtig vulkanisch en met weelderig groen bedekt eiland is lezen we herhaaldelijk in de reisgidsen. We boeken dus snel een tour voor de volgende ochtend zodat we het binnenland kunnen gaan verkennen. Wouter schroomt hierbij niet om stevig de onderhandeling in te gaan. Van $120 p.p. zakt de prijs naar $40 p.p. Marti en ik slaan het met bewondering gaande. Het zegt toch wel iets over de betekenis van prijzen en de waarde van producten en diensten in een land als dit!

De volgende dag is een productieve dag. We leveren een lege gasfles in voor een re-fill bij tankstation Sukie, laten de buitenboordmotor voor reparatie achter bij een onderhoudsshop (hee, ook een Sukie), en kopen nog even wat vers brood bij bakkerij…Sukie. Om half 9 stipt start de tour onder begeleiding van een enthousiaste Emmane. We wandelen door de botanische tuinen van Roseau, zien de zwavelbronnen die het vulkanische eiland rijk is, en trekken diep het binnenland in voor de Trafalgar waterfalls, een tweelingwaterval die zich tussen het prachtige groen naar beneden stort. Oooo wat is dit een prachtig eiland! Tientallen soorten varens, bomen en gewassen, en Marti als ware bioloog weet van alles wel iets te vertellen. Zo hebben we onze eigen Freek Vonk bij ons, maar dan gelukkig iets minder druk. We eindigen de dag bij de Titou Gorge waterval, waar je in het ijskoude bergwater een grot in kan zwemmen voordat het water zich naar buiten perst (en één van de tweelingwatervallen van hierboven wordt). Wat een mooie afsluiter van de tour had moeten worden, eindigt in een klein drama. In zijn enthousiasme duikt Marti met bril en al onder water in de grot. Door de sterkte stroming daar floept de bril af en ligt ik weet niet waar onder water. Een ijverige zoektocht in het koude sterk stromende water begint. Er worden zelfs locals bijgehaald (en betaald) om de bril te vinden. Ja, er wordt uiteindelijk een bril gevonden, maar niet die van Marti. Helaas. Nadat we ons ervan verzekerd hebben dat men er nog naar zal zoeken (Marti looft een beloning uit van $100) stappen we onderkoeld in de auto terug naar Roseau. Het goede nieuws van de dag is dat de Sukies de buitenboordmotor hebben gerepareerd, ook de gasfles staat al gevuld en al voor ons klaar. Na een heerlijke lunch gaan we terug richting de braaf wachtende Arcadia en hijsen de zeilen. De afgelopen nacht hadden we veel last van een stevige deining in de baai en we willen niet nog zo’n rusteloze nacht. Na een kort tochtje, voornamelijk op de motor, komen we in het donker aan in een volkomen verlaten baai dichtbij het dorpje Portsmouth, eveneens op Dominica. We worden getrakteerd op een paar majestueuze bergsilhouetten voor ons en een prachtige sterrenhemel boven ons. Die nacht slapen we rustig en diep.

De volgende dag varen we dichter naar het dorp toe. We hebben een tour geboekt over de Indian River, een rivier van 7 km lang vol met mangrovebos en waar je alleen met een stil roeibootje op mag. Wij gaan onder begeleiding van gids Albert, een enigszins nors type maar die wel veel over de natuur te vertellen heeft. Het bos is werkelijk prachtig. Binnen een minuut zijn we van de drukke bedrijvigheid van het dorpje en de baai beland in een serene wereld vol groen. We zien krabbetjes, kolibries, reigers en tientallen prachtig gewortelde mangrovebomen. Het lijkt wel of wortels dansen! Ook zien we een decor stuk, een hut, dat gebruikt is voor de tweede film van de bekende filmreeks Pirates of the Caribbean. Als we bijna aan het einde van de rivier komen (vroeger kon je verder varen, maar na een paar hevige orkanen is een groot gedeelte van de rivier onbegaanbaar) passeert een bootje met Engelse toeristen ons. ‘Take the dynamite! The dynamiteeee!’ roept een van de dames. Geen idee waar ze het over heeft. De prachtige route eindigt bij een echte Bush Bar, waar we tussen de dichte begroeiing een drankje kunnen drinken. En warempel, bovenaan de kaart staat de Dynamite Punch, zoals getipt door de Engelse dame zojuist. We laten ons niet kennen en bestellen drie stuks. In de Cariben drink je immers punch. Maar mijn God wat is dat spul sterk! Na een paar slokken beginnen we glazig te kijken, en bij de vierde slok krijgen we de slappe lach. We menen de organisatie door te hebben, ze voeren ons gewoon dronken voor een grotere fooi. Dan kennen zij ons, Nederlanders, nog niet. We besluiten niet te laten merken dat we aangeschoten zijn en zacht giechelend stappen we weer bij Albert in de roeiboot. Als Albert ons weer netjes heeft afgezet op de Arcadia besluiten we de Dynamite Punch af te blussen met een biertje. 

De volgende dag duiken we nog even het dorpje in, onder andere om Marti z’n was te kunnen laten doen. Na de was koersen we verder noordwaarts naar het piepkleine eilandengroepje Les Saintes, behorende bij het Franse eiland Guadeloupe. Het enige bewoonde dorpje ligt op het eilandje Terre-de-Haut: Bourg des Saintes (1.000 inwoners). In dit dorp wonen uitsluitend van oorsprong Franse Bretonse vissers en lijkt daardoor meer op een Frans dorpje aan de Côte d’Azur dan op een eiland midden in de Cariben, erg grappig! Het wordt donker en we kuieren door de straatjes vol met Franse locals op de stoep, kletsend en ‘bonsoir’ naar ons roepend. We eten pizza en laten ons verleiden tot een echte plaatselijke lekkernij: de Ti Punch (zie voor het effect de beschrijving van de Dynamite Punch hierboven). 

Les Saintes is een heerlijk relaxed eiland. De volgende dag snorkelen we wat en beklimmen een van de bergen (anderen zouden het misschien heuvels noemen) waarna we genieten van een fantastisch uitzicht! We kijken neer op de Atlantische oceaan vanaf een oude kustbatterij. Moet je je voorstellen: ben je nét goed en wel de oceaan over gestoken, word je vanaf een rots beschoten met kanonnen! Gelukkig is dat bij ons niet het geval en zien we de Arcadia rustig dobberen in de helderblauwe baai beneden.

Hoe heerlijk Les Saintes ook is, het ruime sop trekt weer en we hijsen het anker voor de tocht richting Guadeloupe. Het idee is om naar de baai bij Pigeon Island te gaan, een van de mooiste duikplekken in de Cariben. De overtocht is ruig (voor mij althans) en de Arcadia heeft het helemaal naar de zin. Ze wordt alle kanten op geslingerd, het bijbootje in haar kielzog. Ik vind het fantastisch spannend! Onderweg krijgen we een flinke bui over ons heen. Marti en Wouter laten zich niet kennen en staan als echte stoere zeemannen aan dek (ik kijk vanuit de kajuit toe). Plots is menens: ‘we zijn de bijboot kwijt!’ We keren om en laten snel het zeil zakken om beter te kunnen manoeuvreren. Al snel zien we hem in omgekeerde positie ronddobberen en gaan er snel op af. Na drie pogingen lukt het Wouter om de bijboot met de pikhaak naar binnen te trekken. We zetten een noodoplossing in elkaar waardoor de bijboot aan twee ringen wordt vastgelijnd en vervolgen onze koers maar weer. Onderweg vullen we de watertank bij in een haven (met zo’n ongelooflijk pisstraaltje dat Wouter en ik ondertussen gaan provianderen). Aan het einde van de middag worden we voor onze avonturen beloond met een prachtige baai en een gezellige strandje met duikshops en beach bars. De heren regelen meteen een duik voor de volgende dag. Ik ben niet zo’n held in het water en besluit die tijd te gaan gebruiken om dit reisverslag te typen. Zodoende. De eerste week Cariben zit er op, ik vind het zeilersleven hier heerlijk, ongedwongen, vrolijk, relaxed, zonnig, vriendelijk en vooral adembenemend. Met Marti als fijne gastheer en kapitein. Vanaf mijn stoeltje onder de palmbomen zie ik de boot met duikers waarop Marti en Wouter zitten alweer naderen. Ik ben benieuwd wat ze allemaal gezien hebben onder water.

Wordt vervolgd.

Van hot naar her

Ik schrok me kapot. Paniek! Nee, niet bij het zeilen, maar toen ik op Dominica in de Titou Gorge zwom. Je zwemt daar spectaculair een kloof in, die zich versmalt en aan het eind uitkomt bij een waterval. Tegen het eind gaat het water steeds harder stromen en die uitdaging wil ik wel aangaan. Ik zet aan en ga over op crawlslag. SHIT, mijn bril spoelt van mijn neus af; die had ik op om alles goed te zien en dat was ik ondertussen vergeten. Ik graai in het rond om hem nog te grijpen, maar ik grijp mis. 800 euro spoelt er zomaar weg en wat nog erger is, ik zie niets meer.
Uiteraard heb ik een reddingsactie op touw gezet. Een local had twee duikbrillen bij zich. Zelf kon ik daar geen gebruik van maken, want ik zag te weinig zonder bril, maar de local en Wouter hebben gezocht en gedoken wat ze konden en ik heb zo goed mogelijk de plek aangegeven. Inspannend was dat, want het was vol in de sterke stroming. Zowaar, de local dook de bril op. Wat was ik blij! Maar dichterbij gekomen zag ik zelfs zonder bril dat het een andere bril was, niet de mijne….. Uiteindelijk hebben we het opgegeven en zijn we onderkoeld en terneergeslagen aan de terugweg begonnen. Ik heb 100 US-dollars beloning uitgeloofd voor wie hem vindt, maar ik heb nog niets gehoord en dit gebeurde eer-eergisteren. De kans is dus klein dat ik nog blij gemaakt wordt. Gelukkig heb ik een reserve bril en een zonnebril op sterkte, maar toch mis ik mijn goede bril.
Rob heeft al verhaald hoe we de vorige twee weken (8-21 januari) van hot naar her gevaren zijn: Martinique – Dominica – Les Saintes onder Guadeloupe – Guadeloupe – nachtje doorgevaren naar Saint Kitts – Antigua – Guadeloupe – Les Saintes – Dominica – Martinique. Zo’n 500 mijl in twee weken. Rob wilde graag veel zeilen en voor mij was het een kans om meer eilanden te zien.
Saint Kitts en Antigua hebben voor mij afgedaan. Daar zit de jetset en daar hoor ik niet bij. Zeiljachten van 50 meter zijn geen uitzondering evenmin als motorjachten met 4 verdiepingen. Alleen al het inklaren op Saint Kitts kostte ons (inclusief taxibusje) zo’n 60 euro, terwijl het elders een habbekrats kost. We hadden het ook door een ‘agent’ kunnen laten doen voor 150 US-dollars…. Oké, er zijn best leuke plekken; op Antigua hebben we in een prachtig baaitje geankerd dat we helemaal voor ons alleen hadden, maar wel met uitzicht op het immense landhuis van Eric Clapton.
Het inklaren op Antigua was een feest. Eén kantoortje met drie buitendeuren naast elkaar met de bordjes: Customs, Immigration en Port Authority. Elk van die deuren heb ik talloze malen moeten passeren, het leek wel een sjoelbak, om 100 minuten later met de begeerde papieren weer naar buiten te komen. Het moeilijkste onderdeel was het bedenken van een wachtwoord dat door het digitale systeem werd geaccepteerd. Hoe moeilijk en lang het wachtwoord ook, het systeem vond het “weak” en weigerde de registratie. Soms was het “fair”, maar als je er dan nog een paar moeilijke tekens aan toevoegde om het “strong” te maken werd het weer “weak”. Gelukkig werd ik bijgestaan door een barse official met bamboestokje, waarmee hij op het beeldscherm tikte op de vakjes die ik in moest vullen. Jolig zei ik dat ik zo blij was met het onmisbare bamboestokje, waarop de official grimlachend bevestigde dat dat zijn co-worker was.
Gedenkwaardig vind ik ook de wandeling die Rob en ik op Guadeloupe hebben gemaakt; met de bus omhoog en lopend weer naar beneden. Wie wel eens in Burgers Bush is geweest weet hoe het er ongeveer uitziet, mede door de verlaten en overwoekerde autowrakken die we daarbij tegenkwamen.
500 mijl en twee weken later kwamen Rob en ik weer terug in Fort de France op Martinique. Het waren gezellige weken en we hebben veel gezien en stoer gezeild; vooral in de eerste week toen we regelmatig aan de wind zeilden met 20-25 knopen wind.
Inmiddels ben ik al 5 dagen onderweg met Wouter en Nienke. We volgen dezelfde route naar het noorden, maar nemen meer tijd om het binnenland van de eilanden te zien. Nienke zit nu naast mij te schrijven (ik ben benieuwd wat) en ik geef het stokje aan haar over.
blog: www.sailingarcadia.nl

Toertje Caraïben

Verslag van 7 t/m 12 januari  [ auteur: Rob van der Weert ]

Zaterdag 7 januari

Ik kom aan in Fort de France, Martinique, en Heleen vertrekt later die dag naar Nederland. Bij aankomst blijkt mijn telefoon leeg. Op vliegveld gelukkig nog ergens een stopcontact gevonden. Marti neemt  op maar ik hoor hem niet. Misschien dat hij mij wel hoort dus ik geef hem door dat ik er aan kom  maar ik weet niet of de boodschap over is gekomen. Wel heb ik  nog zijn satelliet telefoon geprobeerd maar die neemt hij niet op.

Gelukkig heeft Marti mij gemaild dat ik een taxi moet nemen naar Parque de Savannes maar de taxi chauffeur had daar nog nooit van gehoord. Uiteindelijk kwam alles toch nog goed en stond Marti te wachten aan de kade met zijn bijbootje. Na verwelkoming door Heleen aan boord wat gedronken om daarna afscheid te nemen van Heleen die door Marti naar vliegveld werd gebracht.

Zondag 8 januari

Met Marti voorbereidingen getroffen voor vertrek van Fort de France naar Saint Pierre in het noorden van Martinique.  Goede supermarkt gevonden en daar behalve drank en andere zaken een bladerdeeg cake gekocht waar een “surprise” in zou zitten volgens het opschrift op de doos. Daarna water getankt in een jachthaven en rond 12 uur vertrokken naar St. Pierre in het noorden. Leuke plaats waar we een punch dronken op een mooi uitzichtpunt  om daarna een wandeling te maken hoog in de heuvels naar een Mariabeeld met uitzicht over de baai.

’s Avonds nog koffie met een stuk bladerdeeg gegeten waar ik mijn kiezen bijna stukbeet op de surprise…. een plastic Mariabeeldje van 1 cm groot. Je kunt je voorstellen hoe verheugd ik was!

Maandag 9 januari

Eerst uitklaren voor vertrek van Martinique naar Dominica  in een winkel van een Fransman met “roots” in de Vogezen. De rum verkocht hij in plastic 5 liter verpakking. Vanaf St. Pierre naar Portsmouth in Dominica gezeild waar we in het donker aankwamen.

Dinsdag 10 januari

Inklaring en uitklaring in korte tijd  in een kantoortje bij  de haven. Zeer professioneel en geen gezeur. Daarna de dagelijkse zoektocht naar internet en koffie om vervolgens te vertrekken naar  Les Saintes, een eilanden groep ten zuiden van Guadeloupe. Dit is echt een aanrader….. Achter een rots van een van deze eilandjes lag een douane bootje verscholen die (“dat” volgens Heleen) even  naar ons toekwam maar ons verder met rust liet. Bij een ander eilandje zijn we aan een mooring gaan hangen in de stromende regen.Met de bijboot naar de kant gegaan om wat inkopen te doen. Terug naar de Arcadia kwamen we nog langs een luxe zeiljacht. Onder de naam van dit zeiljacht  stond in kleinere letters vermeld “Merci tante Sophia”. Die vond ik wel een leuke.

Toen we net aan de borrel zaten kwam hetzelfde douanebootje naar de Arcadia. Ze vroegen of ze langszij mochten komen en dat konden we niet weigeren. Ik stond klaar om een lijn aan te pakken maar de Arcadia werd niets vermoedend midscheeps geramd waarbij de voetrail naar binnen werd gedrukt. Marti liet een krachtterm vallen. Achter het stuur zat een goed uitziende Française van een jaar of 35 die kennelijk stage liep. Toen ze haar excuses aanbood  zei Marti “ach iedereen maakt wel eens een foutje”.

Als ik van te voren had geweten dat we dergelijk bezoek zouden krijgen had ik wat anders aangetrokken. In haar kielzog kwamen nog 2 andere douaniers. Marti ging vervolgens in de kuip in een geanimeerd gesprek met de Française terwijl ik opgescheept werd met een wat zwaarder uitgevallen man die met zijn onderzoek begon in de voorpunt. Alles maar dan ook alles werd omgekeerd. Naarmate hij minder vond van waar hij naar op zoek was liep hij roder aan. Daarna alle vloerdelen opgelicht en ook daar was niks van zijn gading. Later kwam de minder zwaar uitgevallen douanier de hut van Marti uitvoering doorzoeken. Na ongeveer een dik uur vertrokken ze waarbij ik iets te hard ”au revoir cherie” riep.

Waarom ze het op ons gemunt hadden weten we niet. Volgens Marti zou het te maken kunnen hebben met het feit dat hij een paar keer dezelfde havens had aangelopen. Volgens mij had het meer met Marti’s voorkomen te maken. Met een baard van een paar weken zag hij er steeds Colombianer uit.

Woensdag 11 januari

Rond het middaguur vertrokken naar St Kitts (St. Christopher). Een tocht van ruim 100 Nm. Dit doel in het noorden gekozen omdat de wind zou gaan draaien naar het noorden en we daarna dan wat meer relaxed zouden kunnen afzakken naar het zuiden.

De overtocht was een beetje heftig. Een hoog aan-de-windse koers eerst een zwakke wind en daarna bij het invallen van de nacht een  zeer wisselvallige wind die aantrok naar eind Bft 6. Onderweg kwam er nog een klein vliegtuigje over die (“dat” volgens Heleen) op masthoogte voorbij scheurde. Ik hoorde ‘m niet aankomen en schrok me kapot.

Donderdag 12 januari

De volgende ochtend, net nadat  het licht werd  een mooie beschutte ankerplek gevonden dichtbij een jachthaven waar de “happy few” hun zeil- of motorjacht had geparkeerd. Onder andere een zeiljacht van een 100 m lengte met 6 zalingen en een soort circustent voor de avondborrel rond de mastvoet.

De inklaring bleek een hele toer. We lagen ver van de stad en openbaar vervoer was er niet. We besloten te liften. Ik opperde Marti om met zijn baard achter een struik te gaan staan maar dat wou ie niet. Uiteindelijk door een beroeps chauffeur opgepikt. Bij de douane voor inklaring gekomen kwamen we in een meute terecht van passagiers van 5 (!) cruiseschepen. Na van het ene naar het andere kantoortje doorgestuurd te zijn waren we klaar om naar de Arcadia terug te keren.

Vrijdag 13 januari

Vertrek naar Antigua. Erg relaxed zeilen. Aankomst in Jolly Bay, een soort plaats met woningen aan het water zoals je in Friesland wel ziet. De douane was gesloten en we zijn toen maar aan de steiger van de douane gaan liggen om te wachten tot ze de volgende ochtend open zouden gaan. We mochten niet van boord voordat we ingeklaard waren op straffe van een boete van $5000!

Zaterdag 14 januari

De inklaring duurde ongeveer 2 uur in een klein kantoortje bij de steiger waar we lagen. Daarna vertrokken naar Indian Creek die uitliep in een kleine baai waar we helemaal alleen lagen. Helemaal bovenop de rotsen had Eric Clapton een stulpje (opm. Marti: kasteel) laten bouwen.

De baai was echt schitterend. Met de bijboot een beetje rondgetoerd. Marti vroeg me “hoe vindt je het hier Rob” en toen ik me omdraaide zag ik dat hij bezig was om een video te maken en dat ik daar dan voor het geluid iets moest zeggen. Nou hou ik daar niet zo van dus het lag op mijn lippen om te zeggen “ik vind er geen flikker aan”, maar omdat ik hem niet wilde teleurstellen zei ik “schipper ik vind het hier prachtig mooi”.

Zondag 15 januari

Op mijn verjaardag vertrokken naar Deshaies op Guadeloupe. Om me niet teleur te stellen had Marti slingers opgehangen. Ik was ontroerd. Hartelijk dank Marti. Blij dat ik hier zit en niet thuis hoef op te zitten en pootjes geven. Vijfenzestig klinkt erg oud vind ik.

Mooie relaxte overtocht naar Deshaies in Guadeloupe.

Penelope by Luxury Living

Ik had al vermeld dat de Arcadia in deze contreien meer een type soort genre van optimistje is. Ik had ook vermeld dat wij ons in Chatham Bay omringd wisten door 15 andere schepen, waaronder een aantal heel grote. Zeg maar gerust extreem grote schepen. Twee daarvan moet ik toch echt even bespreken.
Het eerste schip kenden we al van de Tobago Cays. De laatste dag dat wij daar lagen en terug kwamen van snorkelen bij Petit Tabac lag daar, niet ver van onze optimist, een enorm zeiljacht uit Valetta, Malta. Het had, ongelogen, de kleur van een onderzeeboot, een zwarte mast – of toch een periscoop? – en idem zeilen. Wij schatten de lengte op een meter of 30!
En ja hoor, niet lang nadat wij in Chatham Bay waren aangekomen, lag daar diezelfde onderzeeboot.
Een ander schip, nog veel groter dan de onderzeeboot uit Valetta, kenden wij van naam via de AIS…. en in Chatham Bay bleek dit onze achterbuur te zijn: “Penelope by Luxury Living”.
Over de naam alleen al zou je een proefschrift kunnen schrijven en zo niet dan toch er een forse tijd je hersens op kunnen kraken.
Dat je je schip Penelope noemt, nou vooruit, dat valt nog te begrijpen. Hoewel het natuurlijk meer haar eega was die de zeeën bevoer, snap ik dat je een mooi gelijnd schip de naam van een mooie, klassieke vrouw geeft.
Desnoods noem je je schip Living Luxury. Dat zou ik dit schip en de rest, maar dat komt later, gezien hebbend ook heel goed kunnen begrijpen.
Maar deze woordvolgorde en deze combinatie….? Semantisch en grammaticaal loop ik hier volkomen vast. Ik ga hier zeker eens met een collega Engels over in gesprek!
Maar nu de rest, beloofd is beloofd! Goed, het was gisterenmorgen dat de bemanning, het personeel, van de Penelope by Luxury Living, gekleed in blauwe korte broek en wit poloshirt, aanving vanuit een van de bijbootjes de vensters van het schip te lappen. Daarna werd door ditzelfde personeel een ander bootje door de baai gestuurd met daarachter lady Penelope herself op waterski’s. Een derde personeelslid, uiteraard gekleed in blauwe korte broek en wit poloshirt, pompte intussen ouderwets handmatig – met de voet dus – twee kano’s op.
Toen wij de baai uitvoeren en het geheel passeerden, zagen we op het achterdek twee zeer luxueus uitgevoerde vaste ligstoelen met op beide een in een rol klaargelegde witte badhandoek.
Nou heb ik samen met mijn dochter, tot onze grote verbazing en hilariteit, wel eens een gekleurde werkster – en nee dit is géén vooroordeel, de eigenaren hebben we namelijk ook gezien – zien en horen stofzuigen op een drijvende schuifpui in de Deko Marina te Lelystad. Wij dachten toen eerlijk gezegd dat het niet erger kon…. dochterlief denkt dat neem ik aan nog steeds; ik weet sinds gisteren beter.
Hoe heerlijk was het om vanmorgen in ons privé-baaitje, Petit Byahaut, wakker te worden op ons optimistje en in onze blote kont het kristalheldere water in te duiken! Dat kun je met personeel om je heen toch moeilijk doen, tenzij je er genoegen in schept om op Hermansiaanse wijze te laten merken dat je er schijt aan hebt. Denk aan de uiterst vermakelijke roman Au Pair en je kunt dit laatste vrij letterlijk nemen.

P.S. Later kwam Marti op Saint Kitts dit slagschip nog tegen. Woorden schieten te kort. Wel rijst onvermijdelijk de vraag: word je hier nou gelukkig van?

 

De tweede nieuwjaarsduik van dit jaar

[ auteur: Heleen Weber ]
2 Januari lichtten we het anker in The Tobago Cays en zeilden op de fok de mega-afstand van 3 mijl naar Union Island. Daar gingen we opnieuw voor anker in Clifton Bay, een drukke baai bij een leuk, kleurrijk plaatsje en onder de rook van het kleine vliegveldje, waar pipercups af- en aanvliegen. Natuurlijk hebben we het plaatsje bezocht en een wandeling gemaakt, waarbij we een unieke ontmoeting hadden met een pracht van een landschildpad.
Eenmaal terug aan boord en – hoe kan het ook anders – aan de borrel hebben we ons vermaakt met het kijken naar de meest briljante – ik hoop dat de lezer bekend is met de stijlfiguur ironie – ankermanoeuvres. We hebben met stijgende verbazing naar een Noor gekeken die maar rond bleef varen met z’n anker al half uit… het was minstens zo vermakelijk als in Nederland in de sluizen of bij de brug van Woudsend!
Ook heel leuk was het zicht op de enorme hoeveelheid zeer behendige kite-surfers vlak voor onze boot. Boot is in deze contreien bootje. We behoren hier echt tot de allerkleinste. Zeker niet tot de allerkleinste behoort een landgenoot die aan kwam varen en ook in Clifton Bay voor anker ging: “Stad Amsterdam”!
De volgende ochtend moesten we de noodzakelijke douaneverplichtingen vervullen – de lezer met een goed geheugen snapt direct de reden voor het feit dat het niet meteen kon want die herinnert zich dat ik eerder melding heb gemaakt van het feit dat 2 januari een feestdag is, “recovery day” – en hebben nóg een wandeling gemaakt. Ditmaal ging de tocht naar een zoutmeer, een Gambiaans aandoend door mangroven omringd binnenmeer.
Rond de middag zijn we vertrokken om twee baaien verder het anker weer te laten vallen in Chatham bay!
Chatham bay is een charmante, rustige – hoewel we toch nog met 16 schepen lagen, waarvan de Arcadia uiteraard weer een van de kleinste – en beschutte baai met kristalhelder water en fantastische snorkelplekken. Er zit veel vis en dus zitten er ook veel pelikanen. Zowel boven als onder water is het hier prachtig!
Op het strand zijn drie eetgelegenheden: een heel luxueus resortachtig ding aan het ene eind, een lokaal tentje aan het andere eind en ergens daartussen een lokaal kroegje waar tussen drie en zes happy hour is en het geheel vol zat met lawaaierig volk van grote boten. Wij togen dus naar het lokale tentje aan het andere eind; wij waren daar de enigen en speciaal voor ons werd een fantastisch maal bereid bestaande uit gegrilde tonijn met garlic potatoes, rice with vegetables (net zoals in Gambia ook hier uit te spreken als vedzje-tee-bels) gemengde salade en gebakken banaan. Dit feestmaal bood Marti aan ter gelegenheid van mijn verjaardag. Een dag te vroeg, maar ja dit was dé plaats en dé gelegenheid!
Daarbij is de derde van de maand voor ons altijd een beetje speciaal.

En daar op die mooie ankerplek in Chatham bay nam ik vanmorgen, op de 4e januari rond 08.30 uur, mijn tweede nieuwjaarsduik van dit jaar!
Mijn verjaardag heeft vaak in het teken gestaan van iets sportiefs: soms, in strenge winters maar ik ben bang dat de laatste keer 20 jaar of langer geleden is, schaatsen op natuurijs; vrij dikwijls skiën, maar zeilen heb ik op mijn verjaardag nog nooit gedaan. Vandaag dus wel en hoe! We hebben een krappe 40 mijl gezeild, aan de wind die varieerde van 14-22 knopen om opnieuw op St. Vincent aan te komen.
Ik kan er niets aan doen, maar sinds ik het stukje van Mike heb gelezen over zijn acrobatische wc-toeren op een schommelende Arcadia, kan ik onder dergelijke omstandigheden niet meer naar de wc zonder aan Mike te denken. Nou is Mike een hartstikke leuke knul, dus er zijn ergere dingen…..
Het is zo mogelijk nog idyllischer dan gisteren: we liggen sinds vanmiddag 15.45 uur als enige boot in de baai Petit Byahaut. Ook hier is het fantastisch snorkelen en zwemmen en wat is het uniek om in dit toch wel redelijk drukke gebied een baaitje helemaal voor ons zelf te hebben!
[ gepost via de satelliettelefoon, daarom nog zonder plaatjes ]

Oudejaar in The Tobago Cays

[ auteur: Heleen Weber ]

Terwijl in Nederland de avond tergend langzaam voortkruipt – nog 3 uur en 15 minuten te gaan voordat het eindelijk 00.00 uur is – zitten wij hier nog volop in de zon en genieten van een sprookjesachtige omgeving. We liggen voor anker in The Tobago Cays en weten ons omringd door een vijftal kleine eilandjes met palmenstrandjes en sneeuwwit zand en water dat diverse tinten blauw kent, alle even prachtig.
De eilandjes zijn onbewoond afgezien van hagedissen en leguanen; de zee wordt bevolkt door vele vissen, koralen, zee-egels én schildpadden!
Vanmorgen hebben we in ons bijbootje een verkenningstocht gemaakt langs de diverse eilandjes. Af en toe zijn we aan land gegaan en waanden we ons in de bounty-reclame van vroeger. Bij het eilandje Baradel, the turtle island, hebben we gesnorkeld en – ja echt! – een eindje opgezwommen met een schildpad!
Vanmiddag zijn we met voornoemd bijbootje voor anker gegaan bij het eilandje Jamesby en hebben daar gesnorkeld: de onderwaterwereld is echt zeer de moeite waard.
Ach en zo komen wij oudjaarsdag wel door. Misschien dat we om 19.00 uur, 00.00 uur Nederlandse tijd, de champagne ontkurken, elkaar een zo gelukkig mogelijk – alles is relatief tenslotte – nieuwjaar wensen; de fles leegdrinken en dan gewoon naar bed gaan. Morgen is er weer een dag/jaar…. dan willen we Petit Tabac nog – met het bijbootje – “ontdekken”.
Vanuit de meest bijzondere plek ooit: dat 2017 een ieder mag brengen wat hij/zij nodig heeft!
Wat ons betreft – hear, hear ;)! – een passende tekst de we op een T-shirt zagen:
WORK LESS, SAIL MORE!

[ verstuurd via de satelliettelefoon, daarom helaas nog zonder plaatjes ]

Zeilen voor mietjes……..

[ auteur: Heleen Weber ]

Zeilen voor mietjes…….. Onder díe noemer viel de tocht van vandaag echt niet. Ouwe .u..en-zeilen (er zit geen ‘l’ op dit toetsenbord) tijdens een oceaanoversteek laat ik graag aan Mike en Wim; dit was iets van een geheel andere orde.
We hebben vandaag 35 mijl gezeild van het prachtige St. Lucia naar het nóg mooiere St. Vincent. De straffe passaat blies ons met meestal rond de 26 knopen, maar met uitschieters naar 32 knopen voort. We voeren dubbel gereefd en hadden een snelheid van rond de 7.5 knoop. Deining en golfslag – je kon het verschil echt mooi zien vandaag – waren pittig te noemen en we kregen behoorlijk wat water over. God, wat is dat goedje zout! Als we de zoutkristallen van onze ledematen hadden verzameld, hadden we een zoutvaatje vol gehad.
De westkust van St. Vincent is indrukwekkend mooi; wij besloten in de mooie baai van Wallilabou (decor van Pirats of de Caribbean) voor anker te gaan en de douane een bezoek te brengen om in te klaren. We moesten de nodige opdringerige hulpverleners van ons afschudden en hebben met stomme verbazing toegekeken hoe een vadsig, dit is een understatement, echtpaar hun enorme catamaran door een local naar de kant liet manoeuvreren en vast liet leggen. Ongelogen, ze stonden erbij en keken ernaar.
Nee, dan wij! Je bent een zeiler of je bent het niet, maar als je vindt dat je er een bent – en wij vinden dat – dan moet je dit soort dingen zelf kunnen. Wel vreemd dat alle boten die er lagen met hun kont naar de kant lagen en behalve een anker of mooring ook nog een lange lijn ergens op de kant of aan een steiger vast hadden gemaakt.
Goed, wij dus ergens waar het niet te diep was – een metertje of 11 – voor anker. Deze manoeuvre – we hebben hem vaker uitgevoerd tenslotte én we zijn op elkaar ingespeeld – leverde zoals te verwachten geen enkel probleem op. Marti is voor de zekerheid nog naar het anker gedoken om te zien of alles inderdaad zo in orde was als het zich liet aanzien. Dat bleek het geval en dus was het hoogtijd voor een ankerborrel.
Na dit dagelijks ritueel zijn we met het bijbootje naar de kant gegaan om in te klaren. Dat lukte niet aangezien de douane al naar huis was. Geen probleem, dat komt dan morgen elders wel. We hebben nog even gekeken of we een leuk lokaal tentje konden vinden voor een evenzo leuke lokale maaltijd. Dit lukte evenmin. Nou is er nog genoeg voer aan boord – o.a. een heleboel chorizo, massa’s noodles en gigantische hoeveelheden blikvoer – dus wij zouden eens even wat moois bij elkaar improviseren.
Het vlees – uit blik – lag net in de pan, toen Marti uitriep: “We zijn los!” We bleken al een stukje weggedreven en hebben uiteraard de boel de boel gelaten om het anker op te halen. Het werd meteen duidelijk waarvoor die lange lijnen van de kont naar de kant waren ;).
Inmiddels liggen we twee baaitjes verder opnieuw voor anker en voor zover we dat nu kunnen zien – voor zover je überhaupt iets kunt zien in het donker – liggen we hier wel vast. Het is hier ook een stuk ondieper en minder steil.
We hebben heel behoorlijk gegeten trouwens en inmiddels besloten morgen door te varen naar Bequia. Daar kunnen we inklaren, water tappen en wat verse spullen inslaan, voordat we naar Tobago Cays gaan.
Al met al een avontuurlijk dagje zeilen dat zeker niet te betitelen valt als “zeilen voor mietjes”.

[ verstuurd via de satelliettelefoon, daarom zonder plaatjes ]

So this was christmas………!

[ auteur: Heleen Weber ]
De situatie is de volgende: het is 17.00 uur lokale tijd, in Nederland is het dus 22.00 uur, maar hier is het borreltijd. De conclusie is dus eenvoudig: wij zitten aan de borrel in het zonnetje in de baai van Soufriere, St. Lucia. We genieten van een prachtig uitzicht.
Marti was hier al met Wim en Mike en kent hier dus al het een en ander. Het een was een prachtige, botanische tuin waar ik mijn ogen uitgekeken heb; het ander, de zwavelbronnen, ging niet door. Kerstavond, eerste en tweede kerstdag is hier nl niet genoeg, nee, 27 december is ook een vrije dag en er ging geen lokaal busje. Lopend waren de bronnen lastig te bereiken. Misschien kunnen we het morgen nog proberen of anders op onze terugweg vanaf Tobago Cays. Moeten we er wel voor zorgen dat dat niet op 2 of 3 januari valt, want daarvoor geldt hetzelfde als voor 27 december, het zijn holidays.
Vanmiddag hebben we een wandeling gemaakt langs de kust, een die Marti ook nog niet kende. Dat was een stevige klim en dat terwijl Marti er al een sportief avontuurtje op had zitten: We waren tussendoor even van een mooring aan de ene kant van de baai, naar een mooring aan de andere kant van de baai verhuisd in een heel harde wind. Door de kracht op alles, hield ik de pikhaak niet, waarmee ik de mooringlijn zo keurig had opgevist…. tweede pikhaak dus. Toen we eenmaal lagen zagen we de eerste pikhaak de baai uitgedreven worden in de richting van de zee. Marti is erachteraan gegaan. Alles is uiteindelijk gelukt, maar het was een stevig potje zwemmen tegen wind, golven en wat stroom in.
Tijdens zo’n wandeling kijk je je ogen uit: de natuur is overweldigend, maar het mooiste zijn wel de types die je tegenkomt, en dan vooral het mannelijke deel ervan. Ze zien er stuk voor stuk uit of ze óf straal bezopen óf knetter stoned zijn en in de meeste gevallen zijn ze het waarschijnlijk allebei. Ze willen je helpen met het vastmaken van je boot aan de moorings (dát was vanmiddag misschien handig geweest…..;) ) met het aanpakken van een lijntje als je met je bijbootje bij de kant komt en uiteraard alles voor geld!
En dan nu even terug naar het begin:
Zaterdag 24 december om 16.40 uur local time landde vlucht AF0842 op het vliegveld van Fort de France, Martinique. Ik had een reis van 14 uur achter de rug en als ik het moment van vertrek naar Schiphol meereken was het 16 uur. Tel daarbij op dat de laatste vijf weken meer dan hectisch waren mét veel te weinig nachtrust en zónder momenten om anderszins nog een beetje tot rust te komen en de roezige staat van zijn waarin ik aankwam, zal de meesten wel duidelijk zijn.
Met alleen handbagage ben je zo klaar en wat leuk was het om daar in je winterkleren, met een dikke jas over de arm, tussen allemaal zomers geklede mensen, de eveneens zomers geklede én bruinverbrande Wim – ja, die eerst, want die is lang – en Marti te ontwaren. Met de taxi – busjes reden er niet meer, want het was kerstavond – zijn we naar Fort de France gereden. Marti en ik zijn eerst even naar de boot gegaan zodat ik mij kon ontdoen van mijn winterse outfit. Eenmaal terug op de kant, stond daar Wim, die meldde dat de enige mogelijkheid om te eten in “zijn” hotel (Wim had erop gestaan in een hotel te gaan zijn laatste avond) was. Tja, kerstavond…. Alles is dan dicht, want dát is een feest dat thuis wordt gevierd en al het eten gebeurt dus ook thuis.
Het was overigens bepaald geen straf om in het hotel te eten: Wim trakteerde ons op een heerlijk kerstmenu: gerookte zalm vooraf; daarna gevulde kalkoen met groentemix en aardappelgratin en ten slotte een ijsdessert! Wim dank je wel: het was heerlijk én gezellig!
De volgende dag hebben Marti en ik nog een rondje Fort de France gelopen: daar was niets, maar dan ook niets te beleven. Kerstmis betekent daar dat alles dicht is.
We zijn vervolgens met een 23 knopen wind en ruim 6 knopen snelheid alleen op de fok naar de baai van Anse Noir gevaren, waar wij voor anker zijn gegaan en heerlijk hebben gesnorkeld en ons hebben vermaakt met het kijken naar pelikanen.
Gisteren zijn we uitgevaren met het doel 40 mijl te varen naar de baai van Soufriere. Ook dat ging vlot: soms tot 26 knopen wind en het merendeel van de tijd een snelheid van meer dan 7 knopen. Het was wel weer even wennen aan de oceaandeining, maar na een kleine tuk, voelden lijf en hoofd weer helemaal prima. We zijn even vergezeld door kleine dolfijntjes en behoorlijk vaak hebben we vliegende vissen gezien. Ik vroeg mij af of het een school of een zwerm vliegende vissen is….misschien is dit afhankelijk van het moment: in het water een school; erboven een zwerm….?
Gisterenavond hebben we in een zeer lokaal, klein kroegje een heerlijke roti gegeten. De pina colada die wij ons als nagerecht permitteerden, was zó koud dat onze magen ervan verkrampten.
De rest is geschiedenis.
O ja, het weer: bijzonder! Zonnig, warm en af en toe zeer pittige buien. Het gekke ik dat je je soms afvraagt waar die buien uitkomen. In de Cariben kan het kennelijk uit een blauwe lucht regenen!
Al met al ben ik zo langzamerhand “ingedaald”; ik begin te ontspannen; er komen weer dingen binnen en ik realiseer me dat het heel bijzonder is om dit mee te maken.
Op naar St. Vincent!

[ gepost via de satelliettelefoon, daarom nog zonder plaatjes ]